'Wat vindt u ervan?' Reflectie op burger en overheidVerslag van de Nationale ombudsman over 2010
1.2.13 Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
Taak
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) is een privaatrechtelijke stichting die namens de minister van Infrastructuur en Milieu taken uitvoert op het gebied van verkeersveiligheid. Tot de werkzaamheden van het CBR behoren onder meer het beoordelen van de rijvaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid van bestuurders van personenauto’s, motoren, bromfietsen, vrachtwagens, bussen, vliegtuigen en binnenvaartschepen. Het beoordelen van de geschiktheid gebeurt onder meer in de eigenverklaringsprocedure. In die procedure beoordeelt het CBR de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van mensen om een motorrijtuig te besturen. Verder neemt het CBR theorie-examens af bij bromfietsers en neemt theorie- en praktijkexamens af voor motorrijders en automobilisten. In 2010 is daar het bromfiets- en brommobielpraktijkexamen en het faalangstexamen bij gekomen. Ook neemt het CBR beroepsexamens af voor professionals in het wegvervoer, de binnenvaart en de logistiek, evenals theorie-examens voor vliegers.
Het CBR heeft in 2010 een langdurige reorganisatie afgerond met als doel de prestaties te verbeteren, de klantgerichtheid te vergroten en de relatie met de minister van Infrastructuur en Milieu verder te professionaliseren. Het CBR is daarmee van een regio- en divisiestructuur naar een procesgerichte organisatie met centrale ondersteuning gegaan en bestaat sinds 3 mei 2010 uit de volgende divisies:
Vooral de procedures van de divisie Rijgeschiktheid kunnen ingrijpende gevolgen voor mensen hebben, omdat zij er (tijdelijk) hun rijbewijs mee kunnen kwijtraken.
Sinds 3 mei 2010 heeft het CBR een landelijke klantenservice, waar relaties en klanten van het CBR terecht kunnen met al hun vragen.
Klachten
In 2010 ontving de Nationale ombudsman 240 klachten over het CBR. Het aantal klachten is daarmee gedaald ten opzichte van 2009 (302 klachten). Ongeveer 80% van de behandelde klachten in 2010 nam de Nationale ombudsman niet in onderzoek. Redenen daarvoor waren bijvoorbeeld omdat de klacht over wet- en regelgeving ging of over de inhoud van een besluit, maar ook omdat de klacht nog niet was ingediend bij het CBR zelf of omdat het CBR de klacht inmiddels had opgelost. Wel constateert de Nationale ombudsman in het laatste kwartaal van 2010 een stijging van het aantal klachten. De Nationale ombudsman zal deze ontwikkeling in 2011 nauwlettend volgen.
De klachten die wel door de Nationale ombudsman in behandeling zijn genomen, gingen merendeels over de behandelingsduur van aanvragen in het kader van de eigenverklaringprocedure. De Nationale ombudsman constateert dat het aantal klachten over de behandelingsduur van deze aanvragen is verminderd ten opzichte van 2009. Eind 2010 is overigens de regelgeving aangepast, onder meer om onnodig lange doorlooptijden binnen de eigenverklaringprocedure zoveel mogelijk te voorkomen. In de wet zijn nu beslistermijnen vastgesteld voor de verschillende stappen binnen de eigenverklaringprocedure. Deze procedure roept nog steeds veel vragen op bij mensen, met name over de medische keuring. Het CBR heeft de wettelijke bevoegdheid om iemand te laten keuren door een door het CBR aangewezen, onafhankelijke specialist voor het verkrijgen van een advies over de rijgeschiktheid. Dit kan bijvoorbeeld een neuroloog, internist of psychiater zijn.
Het CBR heeft in 2009 maatregelen getroffen om de reserveringstermijnen voor de praktijkexamens laag te houden. De Nationale ombudsman constateert dat deze maatregelen hun vruchten hebben afgeworpen. Een kandidaat kan nu gemiddeld binnen zeven weken zijn eerste examen afleggen en binnen vijf weken zijn herexamen. De Nationale ombudsman ontvangt nu geen klachten meer over de reserveringstermijnen voor praktijkexamens.
Werkwijze
Interventie
In 2010 heeft de Nationale ombudsman 34 interventies gepleegd. Dit gebeurde vooral bij klachten over de behandelingsduur van de eigenverklaringprocedure. Het CBR werd gevraagd naar informatie over de behandelingsduur en de mogelijkheden om de afhandeling te bespoedigen. Het CBR was, waar mogelijk, bereid om medewerking te verlenen en tot een oplossing te komen.
Schriftelijk onderzoek
De Nationale ombudsman heeft naar aanleiding van zeven klachten over het CBR een rapport uitgebracht. De belangrijkste worden hier beschreven.
In rapport 2010/301 merkt de Nationale ombudsman onder meer op dat het CBR niet heeft voldaan aan de norm van zijn eerdere rapport (2009/019). In dat rapport had de Nationale ombudsman geoordeeld dat de eigenverklaringprocedure zo kort mogelijk, doch uiterlijk vier maanden mag duren. Het CBR had in dit geval de procedure wel binnen de vier maanden afgerond. Het had echter niet voortvarend genoeg gehandeld in de stadia waarvoor het zelf verantwoordelijk is en waarop het zelf invloed kan uitoefenen. Veel burgers zijn voor hun dagelijkse mobiliteit aangewezen op een rijbewijs. De Nationale ombudsman vindt het daarom belangrijk dat de behandelingsduur bij het verlengen ervan zo kort mogelijk is.
In rapport 2010/082 heeft de Nationale ombudsman het CBR de aanbeveling gedaan om de klachtenverordening en mandaatregeling aan te passen. Het CBR had de klacht van verzoeker over de divisie Vorderingen behandeld volgens de interne klachtenverordening. Hierin was bepaald dat bij klachten over de divisie Vorderingen de klachtencommissie bestond uit twee medewerkers van de divisie. De eindverantwoordelijkheid voor deze klachtenregeling lag bij het hoofd van de divisie, die blijkens de mandaatregeling ook beslissingen nam in de vorderingsprocedure. De Nationale ombudsman concludeerde dat met deze werkwijze de schijn van partijdigheid bij de behandeling van klachten niet kon worden vermeden. Het CBR heeft de aanbeveling opgevolgd en de samenstelling van de klachtencommissie gewijzigd.
De Nationale ombudsman heeft in 2010 ook een klacht ontvangen over een nieuwe taak van het CBR, namelijk het faalangstexamen. Over deze klacht is een rapport uitgebracht. Het faalangst-examen is, na een proefperiode van een jaar, per 1 juni 2010 definitief door het CBR ingevoerd in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het faalangstexamen is een praktijkexamen dat speciaal is bedoeld voor mensen met faalangst voor het rijexamen. De kandidaten moeten aan dezelfde rijvaardigheidseisen voldoen als bij een regulier praktijkexamen, maar de inrichting van het examen verschilt op een paar punten van een regulier rijexamen. Zo kan de kandidaat tijdens de examenrit zelf een time-out aanvragen als bijvoorbeeld de spanning teveel wordt. Ook kan de rijexaminator beslissen tot een time-out. Verzoekster klaagde er onder meer over dat zij haar faalangstexamen als een regulier examen had ervaren. De Nationale ombudsman overwoog dat de examinator haar niet duidelijk had geïnformeerd over de mogelijkheid om een time-out aan te vragen. Daarnaast was het uitslagformulier van het examen niet op de juiste manier ingevuld. Verzoekster had na het faalangstexamen drie extra rijlessen genomen en haar rijbewijs alsnog behaald via een regulier examen. De Nationale ombudsman deed de aanbeveling om verzoekster tegemoet te komen in de helft van de examenkosten bij de rijschool voor het faalangstexamen en de helft van de kosten van de drie extra rijlessen. Rapport 2010/322
Contacten
Medewerkers van de Nationale ombudsman hebben eind 2010 een werkbezoek afgelegd aan het CBR. Tijdens deze bijeenkomst is gesproken over de nieuwe organisatie, de behandeling van klachten over het CBR en over het onderhouden van de onderlinge contacten.
Downloads
Verder lezen
Links
Bestelinformatie Sdu:
Uitgave: Sdu Uitgevers
Kamerstuk nr. 32 654
ISBN 0921 7371